In het jaar 2003 werden er wereldwijd naar schatting zo’n 700.000 kinderen onder de 15 jaar met HIV geïnfecteerd, een meerderheid hiervan woont in de landen ten zuiden van de Sahara. Het overgrote deel van de HIV infecties bij kinderen wordt veroorzaakt door overdracht van het HIV virus van moeder op kind, zowel via zwangerschap en bevalling als via borstvoeding.
Er wordt veel onderzoek naar dit onderwerp gedaan, maar tegelijkertijd zijn er nog veel open vragen. Dit artikel geeft een overzicht van de feiten en de aanbevelingen van internationale organisaties. Er wordt ook ingegaan op de voors en tegens van het gratis verstrekken van moedermelk vervangende produkten.
In dit artikel is de volgende indeling gehanteerd:
Verticale transmissie
Het overgrote deel (zo’n 90%) van de HIV infecties bij kinderen van 0 - 15 jaar is veroorzaakt door overdracht van het HIV virus van moeder op kind. De rest is het gevolg van bloedtransfusies, het gebruik van besmette injectienaalden en seksueel misbruik.
Het virus kan op drie momenten overgedragen worden van moeder op kind: tijdens de zwangerschap, gedurende de bevalling en tijdens het krijgen van borstvoeding. Dit wordt "verticale transmissie" genoemd, en in het Engels "Mother To Child Transmission" (MTCT). Er is veel weerstand tegen het specifiek noemen van de moeder, omdat dit de moeder als schuldige aan zou kunnen wijzen, en degene die de moeder besmet heeft (vaak de vader van het kind) buiten beeld laat. Sommigen (bijvoorbeeld India) gebruiken nu de term "parent to child transmission". Er is echter nog geen overeenstemming over een andere term. De kans op HIV overdracht tijdens elk van de drie fasen staat samengevat in Tabel 1.
Tabel 1
Geschatte kans op, en mogelijk moment van, overdracht van HIV van moeder op kind, zonder medische interventies, note 1
| Moment van overdracht | Kans op HIV overdracht * |
| Tijdens de zwangerschap | 5-10% |
| Tijdens de bevalling | 10-15% |
| Tijdens de borstvoedingsperiode | 5-20% |
| Totaal zonder borstvoeding | 15-25% |
| Totaal met 6 maanden borstvoeding | 20-35% |
| Totaal met 18-24 maanden borstvoeding | 30-45% |
*De percentages zijn variabel vanwege de verschillen tussen bevolkingsgroepen in bijvoorbeeld CD4 gehaltes van moeders, viral load (definitie) en de duur van het geven van borstvoeding.
Het is belangrijk om te realiseren dat het merendeel van de baby’s van met HIV besmette moeders het virus dus niet krijgen.
Overdracht van HIV via borstvoeding
Het HIV virus is aanwezig in moedermelk, maar het exacte mechanisme van de aanwezigheid in moedermelk en de overdracht op de baby is nog onbekend. Waarschijnlijk komt het virus het lichaam van de baby binnen via doorlaatbare slijmvliezen (mucous membranes), klierweefsel, en/of wondjes in het maagdarmkanaal.
Verschillende factoren beïnvloeden de kans op overdracht. Aan de kant van de moeder zijn dit de volgende: ten eerste haar eigen voedings- en gezondheidstoestand en (de sterkte van) haar immuunsysteem en haar viral load. Borstproblemen als borstontsteking of tepelkloven (al dan niet veroorzaakt door spruw) vergroten de kans op overdracht. Zelfs sub-klinische borstontsteking, wat kan onstaan bij ernstige stuwing, verhoogt de kans op HIV overdracht. Het al dan niet aanwezig zijn van het virus in de melk is uiteraard van invloed. De concentratie van het virus in moedermelk blijkt sterk te kunnen varieren. Als de moeder besmet wordt met HIV tijdens de borstvoedingsperiode is het risico van overdracht groter dan wanneer zij al langer besmet is.
Er zijn ook factoren die met het kind te maken hebben. Zo is de duur van de borstvoedingsperiode van belang, evenals de leeftijd van de baby. De schatting is dat het totale risico tussen de leeftijd van 4 weken en 18 maanden, uitkomt op 9.3 % (note 2). De informatie over het risico op HIV overdracht via de eerste melk, colostrum, is niet eenduidig, maar er is geen bewijs dat het onthouden van colostrum de kans op HIV overdracht zou verminderen. Wondjes in de mond (bijvoorbeeld veroorzaakt door spruw) of in het maagdarmkanaal (bijvoorbeeld veroorzaakt door het te vroeg geven van koemelk en/of ander eten of drinken kunnen de kans op overdracht verhogen.
Exclusief borstvoeding geven
Het al dan niet "uitsluitend" zijn van de borstvoeding (geen andere voedingsmiddelen dan moedermelk), is cruciaal voor de kans op HIV overdracht. In veel onderzoeken naar borstvoeding wordt niet gespecificeerd of de zuigelingen alleen maar borstvoeding kregen of ook ander voedingsmiddelen. In veel landen en bij veel vrouwen is echter sprake van "gemengde" of "gedeeltelijke" borstvoeding, omdat de zuigelingen vanaf heel jonge leeftijd bijgevoed worden met bijvoorbeeld water, thee, kunstvoeding of andere produkten. Inmiddels blijkt steeds duidelijker dat het verschil tussen uitsluitend en gedeeltelijke borstvoeding (in het Engels "mixed feeding") essentieel is. Er is echter nog slechts één uitgebreid onderzoek gepubliceerd op dit gebied (note 3). In dit onderzoek bleken zuigelingen die bij de geboorte ongeveer het zelfde besmettingspercentage hadden (7%), op de leeftijd van 15 maanden in verschillende mate met HIV besmet te zijn, afhankelijk van de manier waarop ze gevoed werden. Van de gedeeltelijk borstgevoede baby’s was 36% besmet, van de uitsluitend borstgevoede baby’s 25% en van de uitsluitend met kunstvoeding gevoede baby’s 19%. Resultaten van andere onderzoeken hiernaar worden later in het jaar verwacht.
Informatie over de factoren die het risico van HIV overdracht bepalen zijn samengevat in Tabel 2.
Tabel 2
Factoren die van invloed zijn op de postnatale overdracht van HIV van moeder op kind (note 4).
| Moeder |
| Voedings- en gezondheidstoestand (het risico is hoger als de moeder bijvoorbeeld al symptomen van AIDS heeft) |
| Immuunsysteem (CD4) |
| Viral load in het plasma |
| Viral load in moedermelk |
| Borstonstekingen (mastitis, absessen, tepelkloven) |
| Recente besmetting met HIV |
| Kind |
| Duur van de borstvoeding |
| Al dan niet "uitsluitend" zijn van de borstvoeding |
| Leeftijd (eerste maanden) |
| Wondjes in de mond en het maagdarmkanaal |
| Te vroeg geboren zijn |
| Immuunsysteem |
Het voorkómen van HIV overdracht van moeder op kind
Algemene opmerking
De beste manier om te voorkómen dat een baby besmet raakt met HIV, is voorkómen dat vrouwen besmet raken. In veel gevallen is degene die de moeder besmet, de vader van de baby. Dit aspect wordt vaak uit het oog verloren in de populaire pers, die al snel de moeder de schuld van de besmetting van haar baby in de schoenen lijkt te schuiven. Als de vrouw HIV heeft moet ze worden geholpen een bewuste keuze te maken of ze wel zwanger wil worden. Als de vrouw (en/of haar partner) besluit dat ze niet zwanger wil worden, moeten zij en haar partner ondersteuning krijgen met voorbehoedsmiddelen. Als de vrouw al zwanger is op het moment dat ze uitvindt dat ze HIV heeft, of als ze HIV heeft en zwanger wil worden, zijn er verschillende zaken die kunnen worden gedaan om het risico van HIV overdracht te verminderen.
Medicatie
Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar het voorkómen van moeder-op-kind-transmissie van
HIV. Een van de eerst gebruikte protocollen was het door de AIDS Clinical Trials Group ontwikkelde en geteste protocol (ACTG 076) (note 5). Hierbij wordt het medicijn zidovudine (AZT) in orale vorm toegediend aan de (met HIV geïnfecteerde) moeder vanaf de 14e week van de zwangerschap en intraveneus tijdens de bevalling, en daarna in orale vorm aan de baby gedurende 6 weken. In het oorspronkelijke onderzoek verminderde de kans op HIV overdracht hierbij met 67.5%; de overdracht was 8.3% in de AZT groep en 25.5% in de placebo groep. In beide groepen werd geen borstvoeding gegeven. Tegenwoordig wordt in ontwikkelde landen vaak een combinatie van twee of drie medicijnen gebruikt.
Voorheen waren dit soort medicijnen onbetaalbaar in de meeste ontwikkelingslanden (AZT kostte plm. $ 800 per moeder-kind paar). Er zijn daarom verschillende onderzoeken gedaan met “korte protocollen”. De bekendste zijn een onderzoek in Thailand (note 6) waarbij het risico op HIV overdracht ongeveer gehalveerd werd tot 9.4%, en een onderzoek in Uganda (note 7) met het medicijn Nevirapine met vergelijkbare resultaten. De moeders in deze beide onderzoeken gaven geen borstvoeding.
Een onderzoek uit Ivoorkust keek naar vrouwen die AZT kregen en wel borstvoeding gaven. In deze groep was het risico van HIV overdracht na 3 maanden 15.7% (note 8). In deze tijd werd nog niet gedocumenteerd of moeders uitsluitend borstvoeding gaven of ook andere voedingsmiddelen. Later zijn er nog veel meer onderzoeken gedaan met andere medicamenten, en ook met combinaties van verschillende medicijnen, bij zowel borstvoedende als niet borstvoedende groepen. Recente onderzoeken hebben zich gericht op het geven van twee of meer medicijnen en het lijkt erop dat dit in veel gevallen het risico van HIV overdracht gedurende de zwangerschap of bevalling verder kan terugdringen (zelfs tot een reductie van meer dan 70%). Er zijn nog steeds onderzoeken aan de gang over dit onderwerp, dus de kennis hier over verandert van maand tot maand. Onder druk van de publieke opinie zijn de kosten van medicijnen de afgelopen jaren drastisch verlaagd. Het voorschrijven van langere regimes en meerdere medicijnen is daarom nu wel mogelijk in ontwikkelingslanden.
Maatregelen tijdens de bevalling
Een keizersnede vermindert het risico van overdracht van HIV vanwege het kortere kontakt van de baby met lichaamsvloeistoffen van de moeder. In geïndustrialiseerde landen wordt dit dan ook gedaan, maar in ontwikkelingslanden is het risico van infecties als gevolg van een keizersnede, bij de moeder groot en moeten de verschillende risico’s tegen elkaar afgewogen worden. In deze landen wordt aangeraden om de vruchtvliezen niet voortijdig te breken (als deze langer dan vier uur voor de baby geboren wordt, gebroken worden is de kans op HIV overdracht groter). Verder wordt ook aangeraden om het inknippen (episiotomie) te vermijden.
Voeding van de baby – overwegingen en internationale richtlijnen
Zoals hierboven beschreven, kan HIV overgedragen worden via borstvoeding. Tegelijkertijd is borstvoeding echter één van de belangrijkste voorwaarden voor de gezondheid van een baby. Volgens recente schattingen kan borstvoeding 13% van de sterfte in kinderen onder de vijf jaar voorkomen (note 9). Een baby van 1-2 maanden oud heeft een 6 maal hogere risiko op sterfte als ze geen borstvoeding krijgt (note 10). Borstvoeding is ook van belang voor de gezondheid van de moeder, het vermindert haar vruchtbaarheid en het is de goedkoopste manier om een baby te voeden. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beveelt aan dat alle zuigelingen de eerste 6 maanden uitsluitend borstvoeding krijgen, en daarna tot in het tweede levensjaar, borstvoeding met bijvoeding.
In veel situaties is de kans dat een baby overlijdt aan de gevolgen van kunstvoeding groter dan de kans op HIV besmetting. Verder rust er in veel landen, waar vrijwel iedereen borstvoeding geeft, een taboe op het geven van flesvoeding omdat dit geassocieerd wordt met een slechte moeder zijn, prostituee zijn of het besmet zijn met HIV. Deze argumenten kunnen meespelen in de beslissing van de moeder. De moeder of beter nog, beide ouders gezamenlijk, moeten deze factoren voor hun eigen situatie afwegen.
Richtlijnen van UNICEF, WHO en UNAIDS
UNICEF, WHO en UNAIDS (het gezamenlijke VN programma over AIDS) hebben in 1998 richtlijnen over HIV en de voeding van zuigelingen opgesteld, die in 2003 bijgesteld zijn (note 11) en (note 12).
In dit document wordt de nadruk gelegd op het recht van de seropositieve moeder een geïnformeerde keus te maken met betrekking tot de voeding van haar baby. Dit betekent dat zij informatie moet krijgen over de verschillende opties en de voor- en nadelen van elke optie, en ondersteuning in het uitvoeren van de keus die zij gemaakt heeft.
Samengevat komen de richtlijnen hier op neer: de moeder moet beoordelen of zij aan de volgende vijf voorwaarden voor het geven van een vervangingsmiddel van moedermelk kan voldoen:
- het geld er voor hebben (affordable)
- het haalbaar vinden (feasible)
- het acceptabel vinden (acceptable)
- het lange tijd kunnen volhouden (sustainable)
- de voeding veilig kunnen geven (safe)
Als zij aan al deze vijf voorwaarden kan voldoen, is een moedermelkvervanger de beste optie voor haar. Een moedermelkvervanger kan commerciële kunstvoeding zijn, of gewone volle koemelk of melk van een ander dier waar extra water en suiker is aan toegevoegd. Het is wel van belang dat de moeder dan uitsluitend deze vervanger geeft, en het niet combineert met borstvoeding. Zoals hierboven beschreven is, verhoogt de combinatie van deze twee de kans op overdracht van HIV aanzienlijk. Dit is in tegenstelling tot wat veel vrouwen denken ("ik doe van allebei een beetje dan is het risico minder en profiteert mijn kind toch van de bescherming van borstvoeding"): de baby krijgt het slechtste van beide voedingen binnen - de kans op zowel HIV overdracht als ziekten en ondervoeding neemt toe.
Voeding van de baby – maak borstvoeding veiliger
Kan de moeder niet aan bovenstaande voorwaarden voldoen, dan is uitsluitend borstvoeding gedurende de eerste levensmaanden van de baby de beste optie voor haar. Het is belangrijk dat zij borstvoeding geeft op een manier die de kans op HIV overdracht zo klein mogelijk maakt. Dit betekent:
- Uitsluitend borstvoeding geven, dus geen enkel ander voedingsmiddel of vocht.
- De borstvoedingsperiode korter maken dan de algemene aanbeveling van twee jaar. Meestal wordt gesproken over zes maanden. Dit is ook de periode dat vrijwel alle baby’s genoeg hebben aan uitsluitend borstvoeding. De moeder moet ondersteund worden in het snel afbouwen van borstvoeding op het moment dat zij wil stoppen, om te voorkomen dat zij mastitis ontwikkelt. Korter borstvoeden kan de kans op overdracht aanzienlijk verminderen.
- Voorkomen dat de moeder tepelkloven, mastitis of andere borstproblemen krijgt. Dit kan gedaan worden door goed advies en ondersteuning bij het aanleggen en de juiste houding om borstvoeding te geven. Eventuele spruw moet snel en effectief behandeld worden.
- Een andere veilige mogelijkheid is het geven van gepasteuriseerde borstvoeding. De moeder kolft de melk af, verhit deze tot het kookpunt en koelt deze daarna direkt af. Of ze kan de melk gedurende 30 minuten verhitten tot 62.5 graden. Dit kan een goede optie zijn tijdens de overgangsfase van uitsluitend borstvoeding naar een moedermelk vervanger.
- Borstvoeding door een andere moeder ("min") is een optie als gegarandeerd kan worden dat de min niet besmet is met HIV en zich ook goed kan beschermen tegen infectie met HIV gedurende de tijd dat zij borstvoeding geeft. Er is een theoretische kans dat de min wordt geïnfecteerd door de baby als deze HIV heeft.
Verder wordt ook sterk aangeraden om, bij het geven van gepasteuriseerde moedermelk en het geven van kunstvoeding, gebruik te maken van bekers in plaats van een zuigfles omdat het vaak moeilijk is de fles en de spenen goed schoon te maken. Om de zuigbehoefte van de baby die geen borstvoeding krijgt op een veilige manier te bevredigen wordt gesuggereerd dat de baby kan zuigen op een vinger van een ouder of verzorger.
Borstvoeding leidt normaal gesproken tot een uitstel van de menstruatie en dus van een nieuwe zwangerschap. Daarom moeten vrouwen die geen of slechts korte tijd borstvoeding geven, informatie en advies krijgen over anticonceptie.
Voluntary Counselling and Confidential Testing: VCCT
Voordat over opties met betrekking tot babyvoeding gesproken wordt, dient de moeder uiteraard te weten of zij seropositief is of niet. Daarvoor dient zij vrijwillig en goed geïnformeerd haar bloed te laten testen (in het jargon: Voluntary Counselling and Confidential Testing, VCCT). Zij moet daartoe toegang hebben tot "counselling", zowel vóór het eventueel ondergaan van de test, als bij het bekend worden van het testresultaat.
Het is belangrijk om te weten dat een pasgeboren baby pas op een betrouwbare manier getest kan worden als hij of zij 3 maanden oud is, en echt uitsluitsel kan vaak pas na 12-18 maanden worden gegeven. Veel mensen denken “laten we eerst testen of de baby HIV heeft gekregen tijdens de zwangerschap of de geboorte en als hij positief is kan hij wel borstvoeding krijgen maar als hij negatief is niet”. Dit kan dus niet – de beslissing over de voeding moet al voor de geboorte genomen worden.
In het geval dat een moeder symptomen van aids ontwikkelt, of als ze zelf net besmet is met het virus is het risico van besmetting nog veel groter en kan beter aangeraden worden de baby geen borstvoeding te geven.
Voor een baby die seropositief blijkt te zijn of symptomen van aids heeft, is borstvoeding de beste voeding.
Zoals hierboven beschreven, is de kans op het overdragen van HIV ongeveer een derde, als de moeder besmet wordt tijdens de borstvoedingsperiode. Het is daarom aan te raden dat vrouwen die borstvoeding geven en hun partners veilig vrijen om HIV besmetting te voorkomen.
In een onderzoek in Kenya (note 13) bleek dat de sterfte onder de moeders uit de borstvoedinggroep hoger was dan de sterfte onder de moeders die toegewezen waren aan de kunstvoedinggroep. Dit heeft veel stof doen opwaaien. Een onderzoek in Zuid Afrika vond dit verband niet (note 14). Beide onderzoeken hebben wat tekortkomingen, en het is ook onduidelijk wat het mechanisme zou zijn: sterven moeders die borstvoeding geven eerder, of geven ernstig zieke moeders geen borstvoeding meer? De WHO heeft dan ook besloten haar richtlijnen niet te wijzigen. Wel benadrukt de WHO dat moeders met HIV extra steun nodig hebben. Een recent gepubliceerde meta analyse (note 2) vond deze associatie ook niet en dus is er geen reden om extra bezorgd te zijn voor de gezondheid van de borstvoedende moeder.
Gratis verstrekken van kunstvoeding – een paard van Troje!
De reactie van veel mensen die zich zorgen maken om de overdracht van HIV van moeder op kind, is: "Die vrouwen moeten kunstvoeding krijgen zodat hun kinderen niet het risico lopen met HIV geïnfecteerd te raken." In veel landen zijn organisaties actief die dergelijke donaties geven of er geld voor inzamelen. UNICEF heeft tussen 1998 en 2001 ook gratis kunstvoeding verstrekt aan seropositieve moeders. Deze kunstvoeding had een merkloos etiket en werd geproduceerd door een bedrijf dat de Internationale Code voor het op de Markt brengen van Vervangingsmiddelen van Moedermelk niet overtrad. Uit evaluatieonderzoek, uitgevoerd in opdracht van UNICEF, bleek echter het volgende:
- De kunstvoeding kwam vooral terecht bij vrouwen die toegang hadden tot bepaalde voorzieningen, zoals stromend water bijvoorbeeld, en niet bij de vrouwen die tot de allerarmsten behoorden. Dit terwijl UNICEF’s streven juist is om de armsten te helpen.
- De kunstvoeding werd ook gebruikt door vrouwen die niet aan alle vijf bovengenoemde voorwaarden voldeden en in deze gevallen verhoogde het geven van kunstvoeding de kans op ziekte, ondervoeding en sterfte van de zuigelingen.
- Het gratis verstrekken verhoogde het risico op het combineren van borstvoeding en kunstvoeding, wat het hoogste risico op HIV overdracht geeft.
- Op de plaatsen waar de kunstvoeding gratis verstrekt werd aan seropositieve moeders, gaven de moeders die niet met HIV besmet waren of die niet getest waren, minder vaak uitsluitend borstvoeding dan op de plaatsen waar dit niet gebeurde. In het Engels wordt dit effect "spill over" genoemd.
- Er was een aanzienlijke kans dat de voorraad kunstvoeding voortijdig opraakte, zodat een aantal vrouwen die de kunstvoeding hadden moeten krijgen, het niet kregen omdat de voorraad op was.
Na deze evaluatie heeft UNICEF besloten om de aankoop en gratis verstrekking van kunstvoeding te staken. Hulporganisaties die seropositieve moeders en hun kinderen willen steunen, kunnen zich beter op andere zaken richten zoals: voedsel en medicijnen voor de moeder, voedsel voor babies van zes maanden of ouder, medicijnen voor de baby.
Prioriteiten voor actie
In 2003 hebben negen organisaties van de Verenigde Naties (UNAIDS, FAO, UNHCR, UNICEF, WHO, WFP, World Bank, UNFPA en IAEA) aanbevelingen opgesteld met betrekking voor HIV en de voeding van zuigelingen. De organisaties bevelen 5 acties op het gebied van HIV en babyvoeding aan (note 15):
- Nationaal beleid over de voeding van zuigelingen en jonge kinderen ontwikkelen, inclusief het onderwerp HIV en zuigelingenvoeding.
- De Internationale Gedragscode voor het op de markt brengen van Vervangingsmiddelen van Moedermelk implementeren en controleren op naleving.
- De bescherming, bevordering en ondersteuning van goede voeding van zuigelingen en jonge kinderen in het algemeen versterken en tegelijkertijd realiseren dat HIV uitzonderlijke omstandigheden creëert.
- Voldoende ondersteuning bieden aan vrouwen die met HIV besmet zijn, om de beste manier te kiezen om hun baby te voeden, en om deze beslissing uit te voeren.
- Onderzoek ondersteunen naar HIV en de voeding van zuigelingen, waaronder "operations research", lerend onderzoek, monitoring en evaluatie en het verspreiden van resultaten.
Het unieke van deze aanbevelingen is dat ze niet alleen het recht op en de behoefte aan goede informatie en bijstand van HIV geïnfecteerde vrouwen erkennen, maar benadrukken dat dit ook onderdeel moet zijn van de algehele bevordering van goede voeding voor alle zuigelingen en jonge kinderen, ongeacht de HIV status van hun moeder. Het wordt verwacht dat deze geïntegreerde benadering een goede bijdage kan leveren aan het verlagen van de ondervoeding en kindersterfte van alle kinderen in de wereld en het verlaagt tevens het risico van HIV overdracht van HIV geïnfecteerde moeders naar hun kinderen.
Conclusies
- Borstvoeding blijft de beste voeding voor de overgrote meerderheid van baby’s. Aan vrouwen die niet seropositief zijn en vrouwen die niet weten of ze seropositief zijn, wordt daarom aanbevolen zes maanden lang uitsluitend borstvoeding te geven, en daarna bij te voeden en de borstvoeding voort te zetten tot twee jaar of langer.
- De beste manier om te voorkomen dat baby’s besmet raken met HIV, is voorkómen dat vrouwen op jonge leeftijd, en later in de vruchtbare leeftijd, besmet raken.
- Vrouwen die getest zijn en weten dat ze seropositief zijn, moeten ondersteuning en advies krijgen bij het maken van een geïnformeerde keus tussen borstvoeding en kunstvoeding, waarbij de voor- en nadelen van de verschillende vormen van voeding afgewogen moeten worden. Vrouwen moeten gesteund worden in het uitvoeren van de manier waarop zij hun kind willen voeden.
- Alle seropositive vrouwen, hun kinderen en hun familie moeten ondersteuning, verzorging en medische behandeling krijgen.
- Er is nader onderzoek nodig naar de overdracht van HIV via borstvoeding, onder andere naar het moment van overdracht, de kans op overdracht bij exclusieve borstvoeding en het voorkómen van overdracht door middel van bijvoorbeeld het toedienen van medicijnen aan de moeder en/of de baby.
- Het gratis verstrekken van kunstvoeding is geen noodzakelijk onderdeel van een projekt dat de overdracht van HIV van moeder op kind wil voorkomen. Sterker nog: er kleven veel risico’s aan.
Bronvermelding
- [1] HIV transmission through breastfeeding, a review of available evidence UNICEF, UNAIDS, WHO, UNFPA 2004
- [2] The Breastfeeding and HIV International Transmission Study. Late postnatal transmission of HIV in breastfed children: an individual patient data meta-analysis. J Infect Dis 2004; 189: 2154-66
- [3]
Influence of infant-feeding patterns on early mother-to-child-transmission of HIV-1 in Durban, South Africa Coutsoudis, A. et al. The Lancet 1999, 354: 471-76
- [4]
HIV and Infant Feeding: knowledge, gaps and challenges for the future Linkages 2004
- [5]
Reduction of maternal-infant transmission of human immunodeficiency virus type 1 with zidovudine treatment Connor, EM, Sperling RS, Gelber R, et al. N Engl J Med 1994, 331: 1173-80
- [6]
Short-course zidovudine for perinatal HIV-1 transmission in Bangkok, Thailand: a randomized controlled trial Shaffer, Nathan et al. The Lancet 1999, 353: 773-80
- [7]
Intrapartum and neonatal single-dose nevirapine compared with zidovudine for prevention of mother-to-child transmission of HIV-1 in Kampala, Uganda: HIVNET 012 randomised trial Guay LA, Musoke P, Fleming T, Bagenda D, Allen M, Nakabiito C, Sherman J, Bakaki P, Ducar C, Deseyve M, Emel L, Mirochnick M, Fowler MG, Mofenson L, Miotti P, Dransfield K, Bray D, Mmiro F, Jackson JB. The Lancet 1999; 354:795-802
- [8]
Short course oral zidovudine for prevention of mother-to-child-transmission of HIV-1 in Abidjan, Cote d’Ivoire: a randomized trial Wiktor, Stefan et al. The Lancet 1999, 353: 781-85
- [9]
How many child deaths can we prevent this year? Jones G, Steketee R, Bhutta Z, Morris S. and the Bellagio Child Survival Study Group. The Lancet 2003; 362:65-71
- [10]
Effect on breastfeeding on infant and child mortality due to infectious disease in less developed countries: a pooled analysis WHO Collaborative Study Team on the role of breastfeeding and the prevention of infant mortality; The Lancet 2000, 355:451-455
- [11]
HIV and Infant Feeding, a guide for health-care managers and supervisors UNICEF, UNAIDS, WHO, UNFPA 2003
- [12]
HIV and Infant Feeding, guidelines for decision-makers UNICEF, UNAIDS, WHO, UNFPA 2003
- [13]
Effect of breastfeeding on mortality among HIV-1 infected women: a randomized trial Nduati R, Richardson BA, John Ge et al. The Lancet 2001; 357:1651-5
- [14] Are HIV-infected women who breastfeed at increased risk of mortality? Coutsoudis et al. AIDS 2001, 15:653-655
- [15]
HIV and Infant Feeding. Framework for Priority Action WHO 2003
Lees ook
De websites van
Met dank aan Arjan de Wagt, Project Officer PMTCT UNICEF East Asia and Pacific Regional Office, voor zijn kritische opmerkingen en aanvullende informatie. Veel van de informatie over donaties van kunstvoeding is afkomstig van Arjan de Wagt.