banner_bvcom.jpgbanner_webshop.jpgbanner_graphico_nederlands.jpgbanner_bvcomapp.jpgbanner_borstbaan.jpgbanner_tietzat.jpg
Borstvoeding en HIV

In 2007 werden er wereldwijd naar schatting zo'n 370.000 kinderen onder de vijftien jaar met HIV geïnfecteerd; zo'n duizend per dag (1). De meerderheid van deze kinderen woont in de landen ten zuiden van de Sahara. Het overgrote deel van de HIV infecties bij kinderen wordt veroorzaakt door overdracht van HIV van moeder op kind, zowel via zwangerschap en bevalling als via borstvoeding.

Dit is de geheel herziene en aan de laatste inzichten (2010) aangepaste versie.
Deze versie vervangt het artikel uit 2005.
Lees ook: HIV en borstvoeding, nieuwe aanbevelingen WHO

Er wordt veel onderzoek naar dit onderwerp gedaan, maar tegelijkertijd zijn er nog veel open vragen. In dit artikel geven we een overzicht van de feiten en de aanbevelingen van internationale organisaties. We gaan ook in op de voors en tegens van het gratis verstrekken van moedermelk vervangende producten.

Inhoudsopgave

De laatste ontwikkelingen: wat is nieuw
Verticale transmissie
Overdracht van HIV via borstvoeding
Exclusief borstvoeding geven
Het voorkómen van HIV overdracht van moeder op kind
Medicatie tijdens zwangerschap en bevalling
Maatregelen tijdens de bevalling
Voeding van de baby - overwegingen en internationale richtlijnen
Richtlijnen van de UNICEF, WHO en UNAIDS
Maak borstvoeding veiliger
Recente ontwikkelingen
Voluntary Counselling and Confidential Testing: VCCT
Borstvoeding en moedersterfte
Gratis verstrekken van kunstvoeding - een paard van Troje!
Conclusies
Bronvermelding
Lees ook
Copyright

De laatste ontwikkelingen: wat is nieuw

1 - Het wordt steeds duidelijker dat het 'uitsluitend borstvoeding geven' in de eerste levensmaanden van groot belang is voor de overlevingskansen van het kind. Uitsluitend borstvoeding geven verkleint de kans op HIV overdracht in vergelijking met het geven van gemengde borstvoeding (borstvoeding in combinatie met andere voeding) enorm. Dit feit was al bekend, maar recente onderzoeken bevestigen dit in een veelvoud van landen. Het geven van kunstvoeding verkleint de kansen op HIV overdracht nog meer, maar tegelijkertijd verhoogt het de sterftekans in 'resource limited settings', zodat uiteindelijk de HIV free survival op de leeftijd van 18-24 maanden vergelijkbaar is.

2 - Moeders in 'resource limited settings' wordt niet langer aangeraden om na de periode van uitsluitend borstvoeding in de eerste levensmaanden, abrupt te stoppen met borstvoeding. De nieuwe aanbeveling is nu om pas te stoppen met de borstvoeding als de moeder aan alle randvoorwaarden kan voldoen om op een verantwoorde manier op vervangende voedingsmiddelen over te gaan.

3 - Borstgevoede zuigelingen die, na een HIV test, seropositief blijken te zijn, kunnen het beste borstvoeding blijven krijgen. Dit komt omdat zij de beschermende werking van borstvoeding tegen infecties niet kunnen missen.

4 - Recente onderzoeken tonen aan dat het gebruik van HIV remmers tijdens de borstvoedingperiode veelbelovend kan zijn omdat de moeder dan borstvoeding kan blijven geven én omdat het de kans op HIV overdracht verkleint.

Verticale transmissie

Het overgrote deel (zo'n 90%) van de HIV infecties bij kinderen van 0 - 15 jaar wordt veroorzaakt door overdracht van HIV van moeder op kind. De rest is het gevolg van bloedtransfusies, het gebruik van besmette injectienaalden en seksueel misbruik.

Van de 100 kinderen van seropositieve moeders zullen er tussen de 20 en 45* geïnfecteerd worden met HIV. Het virus kan op drie momenten overgedragen worden van moeder op kind: tijdens de zwangerschap, gedurende de bevalling en met de borstvoeding. Dit wordt 'verticale transmissie' genoemd, ofwel 'Mother To Child Transmission' (MTCT).

Tabel 1

Geschatte kans op, en mogelijk moment van, overdracht van HIV van moeder op kind, zonder medische interventies (2).

Moment van overdrachtKans op HIV overdracht*
Zwangerschap5-10%
Bevalling10-15%
Borstvoedingsperiode5-20%
Totaal zonder borstvoeding15-25%
Totaal met zes maanden borstvoeding20-35%
Totaal met 18-24 maanden borstvoeding30-45%

* De percentages zijn variabel vanwege de verschillen tussen bevolkingsgroepen in bijvoorbeeld het gehalte CD4 en de viral load van moeders en de duur van het geven van borstvoeding.

Het is belangrijk om te realiseren dat het merendeel van de baby's van met HIV besmette moeders het virus dus niet krijgen.

Overdracht van HIV via borstvoeding

Het HIV virus is aanwezig in moedermelk, maar het exacte mechanisme van de overdracht op de baby is nog onbekend. Waarschijnlijk komt het virus het lichaam van de baby binnen via doorlaatbare slijmvliezen (mucous membranes), klierweefsel, en/of wondjes in het maagdarmkanaal.

Verschillende factoren beïnvloeden de kans op HIV overdracht. Aan de kant van de moeder zijn dit haar eigen gezondheidstoestand en (de sterkte van) haar immuunsysteem (gemeten aan de hand van het gehalte aan CD4 cellen) en haar viral load. Verschillende onderzoeken tonen aan dat moeders met een laag CD4 gehalte (afhankelijk van het onderzoek, minder dan 500 cellen/µl of minder dan 200 cellen/µl) een veel grotere kans hebben om HIV over te dragen (o.a. 3) dan moeders met hogere CD4 waarden.

Borstproblemen als borstontsteking of tepelkloven vergroten de kans op HIV overdracht. Zelfs sub-klinische borstontsteking, wat kan ontstaan bij ernstige stuwing, verhoogt de kans op HIV overdracht. Het al dan niet aanwezig zijn van het virus in de melk is uiteraard van invloed. De concentratie van het virus in moedermelk blijkt sterk te variëren. Als de moeder besmet wordt met HIV tijdens de borstvoedingsperiode is het risico van overdracht groter dan wanneer zij al eerder besmet werd.

Er zijn ook factoren die met het kind te maken hebben. Zo is de duur van de borstvoedingsperiode van belang, en de leeftijd van de baby. De totale kans op HIV overdracht tussen de leeftijd van vier weken en achttien maanden, wordt geschat op 9,3% (4).

De informatie over het risico op HIV overdracht via de eerste melk, colostrum, is niet eenduidig, maar er is geen bewijs dat het onthouden van colostrum de kans op HIV overdracht zou verminderen. Wondjes in de mond (bijvoorbeeld veroorzaakt door spruw) of in het maagdarmkanaal (bijvoorbeeld veroorzaakt door het te vroeg geven van koemelk en/of ander eten of drinken) kunnen de kans op overdracht verhogen.

Exclusief borstvoeding geven

Het al dan niet 'uitsluitend' zijn van de borstvoeding (geen andere voedingsmiddelen dan moedermelk), is doorslaggevend voor de kans op HIV overdracht. Veel zuigelingen krijgen 'gemengde' of 'gedeeltelijke' borstvoeding in de eerste levensmaanden omdat zij vanaf heel jonge leeftijd bijgevoed worden met bijvoorbeeld water, thee, kunstvoeding of andere producten.

De eerste onderzoeken naar de relatie tussen borstvoedingen HIV infectie besteedden niet veel aandacht aan het al dan niet uitsluitend zijn van de borstvoeding. In 1999 werd een baanbrekend Zuid-Afrikaans onderzoek gepubliceerd (5), dat ontdekte dat zuigelingen die bij de geboorte ongeveer het zelfde besmettingspercentage hadden (7%), op de leeftijd van 15 maanden in verschillende mate met HIV besmet bleken te zijn, afhankelijk van de manier waarop ze gevoed werden. Van de gedeeltelijk borstgevoede baby's was 36% besmet, van de uitsluitend borstgevoede baby's 25% en van de uitsluitend met kunstvoeding gevoede baby's 19%. Dit gegeven is inmiddels bevestigd door andere onderzoeken in Zambia, Ivoorkust en Zuid-Afrika (6, 7, 3).

Tabel 2

Factoren van invloed op de postnatale overdracht van HIV van moeder op kind (8).

Moeder
Gezondheidstoestand (het risico is hoger als de moeder bijvoorbeeld al symptomen van AIDS heeft)
Immuunsysteem (CD4)
Viral load in het plasma
Viral load in moedermelk
Borstonstekingen (mastitis, absessen, tepelkloven)
Recente besmetting met HIV
Kind
Duur van de borstvoeding
Al dan niet 'uitsluitend' zijn van de borstvoeding
Leeftijd (eerste maanden)
Wondjes in de mond en het maagdarmkanaal
Te vroeg geboren zijn
Immuunsysteem

Het voorkómen van HIV overdracht van moeder op kind

De beste manier om te voorkómen dat een baby besmet raakt met HIV, is voorkómen dat vrouwen besmet raken. Als een vrouw HIV geïnfecteerd is, moet zij gesteund worden bij haar beslissing om al dan niet zwanger te worden. Als de vrouw, in overleg met haar partner, besluit dat ze niet zwanger wil worden, moet zij ondersteuning krijgen met voorbehoedsmiddelen. Als de vrouw al zwanger is op het moment dat ze ontdekt dat ze HIV heeft, of als ze HIV heeft en zwanger wil worden, kan op verschillende manieren het risico van HIV overdracht worden verkleind.

Medicatie tijdens zwangerschap en bevalling

In geïndustrialiseerde landen ontvangen vrouwen die met HIV besmet zijn meestal een combinatie van twee of drie medicijnen gedurende het grootste deel van de zwangerschap. Voor ontwikkelingslanden zijn verkorte protollen ontwikkeld. Volgens het meest recente, door de WHO ontwikkelde, protocol (9), krijgen vrouwen vanaf 28 weken zwangerschap het medicijn AZT, tijdens de bevalling een dosis Nevirapine, een dosis 3TC (Lamuvidine) en een dosis AZT, en daarna nog zeven dagen de combinatie AZT-3TC. De pasgeboren baby krijgt één dosis Nevirapine vlak na de geboorte en daarna een week lang AZT.

Maatregelen tijdens de bevalling

Een keizersnede vermindert het risico van overdracht van HIV vanwege het kortere contact van de baby met lichaamsvloeistoffen van de moeder. In geïndustrialiseerde landen bevallen met HIv besmette zwangere vrouwen dus met een keizersnede. Maar in ontwikkelingslanden is het risico van infecties als gevolg van een keizersnede bij de moeder groot en moeten de verschillende risico's tegen elkaar afgewogen worden. In deze landen wordt daarom, om het overdrachtsrisico te verkleinen, geadviseerd om de vruchtvliezen niet voortijdig (meer dan vier uur voor de verwachte geboorte) te breken, en om inknippen (episiotomie) te vermijden.

Voeding van de baby - overwegingen en internationale richtlijnen

Zoals hierboven beschreven, kan HIV overgedragen worden via borstvoeding. Tegelijkertijd is borstvoeding echter één van de belangrijkste voorwaarden voor de gezondheid van een baby. Borstvoeding kan 13% van de sterfte in kinderen onder de vijf jaar voorkomen (10). Borstvoeding is ook van belang voor de gezondheid van de moeder, het vermindert haar vruchtbaarheid en het is de goedkoopste manier om een baby te voeden. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beveelt aan dat zuigelingen in alle landen van de wereld de eerste zes maanden uitsluitend borstvoeding krijgen, en daarna tot in het tweede levensjaar, borstvoeding met bijvoeding.

Wat men uiteindelijk wil is dat kinderen hun eerste jaren overleven en niet besmet zijn met HIV, ofwel 'HIV free survival'. Verschillende onderzoeken (11, 12) tonen aan dat de HIV free survival van borstgevoede kinderen tot aan de leeftijd van ongeveer 18-24 maanden vrijwel gelijk is aan die van kinderen die kunstvoeding kregen: de eerste groep heeft een grotere kans om met HIV geinfecteerd te raken en de tweede groep een grotere kans om te overlijden door oorzaken die niet HIV-gerelateerd zijn, zoals infectieziekten en ondervoeding, voor ze 18-24 maanden oud zijn.

In veel landen is borstvoeding geven de norm, en rust er een taboe op het geven van kunstvoeding met de fles. 'Niet borstvoeding geven' wordt geassocieerd met een slechte moeder zijn, prostituee zijn of het besmet zijn met HIV. Deze argumenten kunnen ook meespelen in de beslissing van de moeder. De moeder of beter nog, beide ouders gezamenlijk, moeten alle factoren voor hun eigen situatie afwegen.

Richtlijnen van UNICEF, WHO en UNAIDS

UNICEF, WHO en UNAIDS (het gezamenlijke VN programma over AIDS) hebben in 1998 richtlijnen over HIV en de voeding van zuigelingen opgesteld, die vervolgens in 2003 (13, 14) en in 2006 (15) bijgesteld zijn.

De internationale richtlijnen leggen de nadruk op het recht van de seropositieve moeder een geïnformeerde keus te maken met betrekking tot de voeding van haar baby. Dit betekent dat zij informatie moet krijgen over de verschillende opties en de voor- en nadelen van elke optie, en ondersteuning in het uitvoeren van de keus die zij gemaakt heeft.

Samengevat komen de richtlijnen hier op neer: seropositieve moeders wordt aangeraden uitsluitend borstvoeding te geven. Alleen wanneer zij aan de volgende vijf voorwaarden kunnen voldoen, is het geven van kunstvoeding met een fles de beste optie voor haar kind:

  • het geld er voor hebben (Affordable)
  • het haalbaar vinden (Feasible)
  • het acceptabel vinden (Acceptable)
  • het lange tijd kunnen volhouden (Sustainable)
  • de voeding veilig kunnen geven (Safe)

In het Engels worden deze voorwaarden afgekort tot AFASS. Hoewel aanvankelijk verschillende moedermelkvervangers, zoals aangelengde koemelk werd geadviseerd, is inmiddels duidelijk dat alleen commerciële kunstvoeding een adequate moedermelkvervanger kan zijn in een 'resource poor setting'.

Als een moeder haar kind kunstvoeding geeft, dan is het van groot belang dat zij dan uitsluitend kunstvoeding geeft en het niet combineert met borstvoeding. Omdat de combinatie van kunstvoeding en borstvoeding de kans op overdracht van HIV aanzienlijk vergroot. Dit is in tegenstelling tot wat veel vrouwen denken: 'Ik doe van allebei een beetje dan is het risico minder en profiteert mijn kind toch van de bescherming van borstvoeding.' De baby die met beide gevoed wordt krijgt het slechtste van beide voedingen binnen en de kans op zowel HIV overdracht als ziekten en ondervoeding neemt toe.

Maak borstvoeding veiliger

Als een moeder voor borstvoeding kiest, is het belangrijk dat zij borstvoeding geeft op een manier die de kans op HIV overdracht zo klein mogelijk maakt. De volgende stappen moeten dan gezet worden:

  • Het CD4 gehalte meten van alle zwangere vrouwen die HIV positief testen. Dit moet herhaald worden tijdens de borstvoedingperiode. Vrouwen die daarvoor in aanmerking komen, moeten een volledige behandeling met HIV remmers krijgen (combinatie therapie), zowel ten behoeve van hun eigen gezondheid als om de kans op HIV overdracht te verkleinen.
  • De moeder moet uitsluitend borstvoeding geven, dus geen enkel ander voedingsmiddel of vocht in de eerste zes maanden.
  • De borstvoedingsperiode zou korter moeten zijn dan de algemene aanbeveling van minimaal twee jaar. Vaak wordt gesproken over zes maanden, omdat dat de periode is dat vrijwel alle baby's voldoende kunnen groeien op uitsluitend moedermelk. Inmiddels is echter duidelijk dat het voor veel moeders niet haalbaar is om met zes maanden te stoppen met borstvoeding, omdat zij dan nog niet voor een goede vervangende voeding kunnen zorgen. De richtlijn uit 2006 stelt dan ook dat de AFASS criteria ook bekeken moeten worden als een baby ouder dan zes maanden is, om te bepalen wat het beste moment is om te stoppen met borstvoeding.
  • Voorkómen dat de moeder tepelkloven, mastitis of andere borstproblemen krijgt. Dit kan bereikt worden met adequate begeleiding, adviezen en ondersteuning bij het aanleggen en de juiste houding om borstvoeding te geven. Eventuele spruw moet snel en effectief behandeld worden.
  • Een andere veilige mogelijkheid is het geven van gepasteuriseerde moedermelk aan de baby. De moeder kolft de melk af, verhit deze tot het kookpunt en koelt deze daarna direct af. Of ze kan de melk gedurende 30 minuten verhitten tot 62,5 graden. Dit kan een goede optie zijn tijdens de overgangsfase van uitsluitend borstvoeding naar het voeden met een moedermelkvervanger.

Zoals hierboven beschreven, is de kans op overdracht van HIV ongeveer een derde, als de moeder besmet wordt tijdens de borstvoedingsperiode. Seronegatieve vrouwen die borstvoeding geven en hun partners krijgen daarom het advies om veilig te vrijen om HIV besmetting te voorkomen.

Borstvoeding leidt normaal gesproken tot een uitstel van de menstruatie en dus van een nieuwe zwangerschap. Daarom moeten vrouwen die geen of slechts korte tijd borstvoeding geven, informatie en advies krijgen over anticonceptie.

Recente ontwikkelingen

Sinds een paar jaar wordt er onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om HIV remmers te geven aan ofwel de zogende moeder, ofwel de zuigeling, tijdens de borstvoedingsperiode. Dit zou een goede manier zijn om te zorgen dat kinderen de voordelen van borstvoeding krijgen, maar niet het nadeel van de verhoogde kans op HIV overdracht. Verschillende opties zijn al onderzocht: combinatie therapie met HIV remmers voor alle zogende moeders ongeacht hun CD4 gehalte, zes weken nevirapine (NVP) toegediend aan de baby en zes maanden lamivudine (3TC) toegediend aan de baby, om maar een paar te noemen (16, 17, 18).

Hoewel de kans op HIV overdracht heel erg verminderde in al deze onderzoeken, kleven er ook nadelen aan het gebruik van deze medicijnen. Sommige HIV remmers hebben sterke bijwerkingen en er bestaat een kans dat degene die de HIV remmers toegediend krijgt, resistentie ontwikkelt tegen deze medicijnen. Tot nog toe zijn er nog geen internationale richtlijnen over het toedienen van HIV remmers tijdens het geven van borstvoeding ontwikkeld, maar het ligt in de lijn der verwachting dat dit wel zal gebeuren.

In november 2008 organiseerde de WHO een bijeenkomst over dit onderwerp. De conclusie was dat het nog te vroeg is om de internationale aanbevelingen te veranderen, maar dat de beschikbare onderzoeksresultaten nader bestudeerd moeten worden, dat de resultaten van de nog lopende onderzoeken afgewacht moeten worden en dat er dan eind 2009 een nieuwe bijeenkomst plaats moet vinden (19).

Voluntary Counselling and Confidential Testing: VCCT

Voordat er met een moeder gesproken wordt over de voeding van haar baby in relatie tot HIV, moet zij eerst weten of zij seropositief is of niet. Daarvoor dient zij vrijwillig en goed geïnformeerd haar bloed te laten testen (in jargon: Voluntary Counselling and Testing, VCT). Zij moet daartoe toegang hebben tot 'counselling', zowel vóór het doen van de test, als op het moment dat het testresultaat aan haar wordt meegedeeld.

Veel mensen denken 'laten we eerst testen of de baby HIV heeft gekregen tijdens de zwangerschap of de geboorte en als hij positief is kan hij wel borstvoeding krijgen maar als hij negatief is niet'. Dit kan niet ? de beslissing over de voeding moet al voor de geboorte genomen worden. Een pasgeboren baby kan namelijk pas op een betrouwbare manier getest kan worden als hij een week of vier oud is. Dit gebeurt dan met een PCR test (polymerase chain reaction), die inmiddels in steeds meer ontwikkelingslanden gebruikt wordt op die leeftijd, in overeenstemming met de laatste richtlijnen van de WHO.

Tot nog toe is de meest gangbare test voor kinderen van seropositieve moeders de test op HIV antilichamen. Deze test is bij kinderen pas betrouwbaar is als ze 12-18 maanden zijn omdat ze tot die leeftijd de antilichamen die ze via de placenta hebben binnengekregen, nog bij zich dragen en daarom dus vrijwel altijd positief testen, hoewel ze het misschien niet zijn.

Borstvoeding en moedersterfte

In een onderzoek in Kenya (20) bleek dat de sterfte onder de moeders uit de borstvoedinggroep hoger was dan de sterfte onder de moeders die toegewezen waren aan de kunstvoedinggroep. Dit heeft veel stof doen opwaaien. Een onderzoek in Zuid-Afrika vond dit verband niet (21). Beide onderzoeken hebben wat tekortkomingen, en het is ook onduidelijk wat het mechanisme zou zijn: sterven moeders die borstvoeding geven eerder, of geven ernstig zieke moeders geen borstvoeding meer?

Een meta analyse (4) vond deze associatie ook niet. Dus is er geen reden om extra bezorgd te zijn voor de gezondheid van de borstvoedende moeder. De WHO heeft dan ook besloten haar richtlijnen niet te wijzigen. Wel benadrukt de WHO dat moeders met HIV extra steun nodig hebben, bijvoorbeeld in de vorm van voedingsmiddelen en regelmatige checks.

Gratis verstrekken van kunstvoeding ? een paard van Troje!

De reactie van veel mensen die zich zorgen maken om de overdracht van HIV van moeder op kind, is: 'Die vrouwen moeten kunstvoeding krijgen zodat hun kinderen niet het risico lopen met HIV geïnfecteerd te raken.' In veel landen zijn organisaties actief die dergelijke donaties geven of er geld voor inzamelen. Ook UNICEF heeft tussen 1998 en 2001 gratis kunstvoeding verstrekt aan seropositieve moeders. Deze kunstvoeding had een merkloos etiket en werd geproduceerd door een bedrijf dat de Internationale Code voor het op de Markt brengen van Vervangingsmiddelen van Moedermelk niet overtrad. Uit evaluatieonderzoek, uitgevoerd in opdracht van UNICEF, bleek echter het volgende (22):

  • De kunstvoeding kwam vooral terecht bij vrouwen die toegang hadden tot bepaalde voorzieningen, zoals stromend water bijvoorbeeld, en niet bij de vrouwen die tot de allerarmsten behoorden. Dit terwijl UNICEF's streven juist is om de armsten te helpen.
  • De kunstvoeding werd ook gebruikt door vrouwen die niet aan alle vijf bovengenoemde voorwaarden voldeden en in deze gevallen verhoogde het geven van kunstvoeding de kans op ziekte, ondervoeding en sterfte van de zuigelingen.
  • Het doneren van gratis kunstvoeding verhoogde het risico op het combineren van borstvoeding en kunstvoeding, wat het hoogste risico op HIV overdracht geeft.
  • Op de plaatsen waar de kunstvoeding gratis verstrekt werd aan seropositieve moeders, gaven de moeders die niet met HIV besmet waren of die niet getest waren, minder vaak exclusief borstvoeding, dan op de plaatsen waar dit niet gebeurde. Dis het zogenaamde 'spill over effect'.
  • Er was een aanzienlijke kans dat de voorraad kunstvoeding voortijdig opraakte, zodat een aantal vrouwen die de kunstvoeding hadden moeten krijgen, het niet kregen omdat de voorraad op was. Met uiteraard negatieve gevolgen voor de gezondheid en groei van het kind.

Na deze evaluatie heeft UNICEF besloten om de aankoop en gratis verstrekking van kunstvoeding te staken. Hulporganisaties die seropositieve moeders en hun kinderen willen steunen, kunnen zich beter op andere zaken richten zoals: het verstrekken van voedsel en medicijnen voor de moeder, voedsel voor baby's van zes maanden of ouder en medicijnen voor de baby.

Conclusies

1 - Borstvoeding blijft de beste voeding voor de overgrote meerderheid van baby's. Aan vrouwen die niet seropositief zijn en vrouwen die niet weten of ze seropositief zijn, wordt daarom aanbevolen zes maanden lang uitsluitend borstvoeding te geven, en daarna bij te voeden en de borstvoeding voort te zetten tot twee jaar of langer.

2 - De beste manier om te voorkomen dat baby's besmet raken met HIV, is voorkómen dat vrouwen op jonge leeftijd, en later in de vruchtbare leeftijd, besmet raken met HIV.

3 - Vrouwen die getest zijn en weten dat ze seropositief zijn, moeten ondersteuning en advies krijgen bij de keuze tussen borstvoeding en kunstvoeding, waarbij de voor- en nadelen van de verschillende vormen van voeding voor hun individuele situatie afgewogen moeten worden. Vrouwen moeten hoe dan ook gesteund worden in de manier waarop zij zelf hun kind willen voeden.

4 - Alle seropositieve vrouwen, hun kinderen en hun familie moeten ondersteuning, verzorging en medische behandeling krijgen.

5 - Seropositieve zwangere en lacterende vrouwen moeten getest worden op hun CD4 gehalte en als dit daartoe aanleiding geeft, moeten zij HIV remmers krijgen (combinatie therapie).

6 - Er is nader onderzoek nodig naar de overdracht van HIV via borstvoeding, onder andere naar het moment van overdracht, en het voorkómen van overdracht door middel van bijvoorbeeld het toedienen van medicijnen aan de moeder en/of de baby.

7 - Het gratis verstrekken van kunstvoeding is geen noodzakelijke interventie om de overdracht van HIV van moeder op kind te voorkomen. Sterker nog: er kleven veel risico's aan.

8 - Alleen als moeders aan alle voorwaarden (het geld er voor hebben (Affordable); het haalbaar vinden (Feasible); het acceptabel vinden (Acceptable); het lange tijd kunnen volhouden (Sustainable) en de voeding veilig kunnen geven (Safe), kunnen voldoen, zouden zijn gratis kunstvoeding mogen krijgen.

Bronvermelding

Lees ook

Met dank aan Arjan de Wagt, toenmalig Project Officer PMTCT UNICEF East Asia and Pacific Regional Office, voor de informatie over donaties van kunstvoeding.

Copyright

© Kenniscentrum Borstvoeding | Borstvoeding.com | Op dit artikel rust copyright |

Gerelateerde artikelen