banner_bvcom.jpgbanner_webshop.jpgbanner_graphico_nederlands.jpgbanner_bvcomapp.jpgbanner_bmbbv1.pngbannerlivredme2.png
Borstvoeding en borstkanker

Katherine Dettwyler legt in dit artikel uit hoe de kans op het krijgen van borstkanker aanzienlijk hoger zijn als je zelf geen borstvoeding hebt gehad én als je ook zelf geen borstvoeding geeft.

Ik heb de twee literatuurreferenties over borstvoeding en borstkanker opgezocht, die ik in een e-mail noemde. Het eerste betrof een studie die bekeek of een vrouw wordt beschermd tegen borstkanker als ze haar eigen kinderen voedt [1].

In dit artikel worden vrouwen vergeleken die nooit borstvoeding hebben gegeven met vrouwen die wel borstvoeding hebben gegeven (van verschillende lengtes van duur). Als je de frequentie van borstkanker voor de menopauze voor vrouwen die nooit borstvoeding hebben gegeven op 1.00 zet, is het relatieve risico op borstkanker voor vrouwen die borstvoeding hebben gegeven:

gevoed tot 3 maanden of korter0.85
gevoed 4-12 maanden0.78
gevoed 13-24 maanden0.66
gevoed meer dan 24 maanden 0.72
gehele voedende populatie0.78

De auteurs schrijven: "Er werd een verband gelegd tussen een toenemende duur van lactatie en een statistisch significante tendens in de richting van een verminderde kans op borstkanker.

Het tweede onderzoek waarnaar ik verwees, bekeek of vrouwen die zelf borstvoeding gekregen hadden als ze opgroeiden beschermd waren tegen borstkanker. Aan dit onderzoek deden 1.130 vrouwen uit twee gemeentes in West New York mee. Elke tijdsduur van borstvoeding telde mee in het onderzoek, dus sommige vrouwen hadden misschien maar een week of een maand borstvoeding gekregen, terwijl anderen meerdere jaren borstvoeding kregen [2].

De resultaten gaven het volgende aan:

GezondheidsstatusRelatief risico
Premenopauzale borstkanker, geen borstvoeding1.00
Premenopauzale borstkanker na borstvoeding0.76
Postmenopauzale borstkanker, geen borstvoeding1.00
Postmenopauzale borstkanker na borstvoeding0.73

Dus zowel vóór als na de menopauze hadden vrouwen die als kind borstvoeding hadden gekregen, hoe kort ook, een 25% lagere kans om borstvoeding te ontwikkelen dan vrouwen die als zuigelingen kunstvoeding hadden gekregen.

Deze twee factoren gecombineerd: iemand die zelf borstvoeding heeft gekregen en ook zelf haar eigen kinderen voedt, zou de kans op borstkanker bijna kunnen halveren. Op dit moment wordt ongeveer 1 op de 8 vrouwen op enig moment in het leven getroffen door borstkanker. Als men deze kans tot 1 op 16 zou kunnen verminderen, zou dat de moeite waard zijn, zou ik denken. Deze onderzoeken beloven niet dat niemand borstkanker krijgt als ze borstvoeding kregen en hun eigen kinderen borstvoeding geven, ze verminderen het risico alleen met de helft. Dikke kans dat je sowieso geen borstkanker zult krijgen – zoals 7 van de 8 vrouwen. Je kunt het risico nemen, of je kunt je levenswijze aanpassen zodat je je kans vermindert.

Gestage toename van borstkanker

Het is in het licht van deze nieuwe informatie interessant om te kijken naar de gestage groei in het voorkomen van borstkanker in de laatste decennia. Laat ik mijn eigen moeder als voorbeeld nemen. Ze werd in 1920 geboren, toen vrijwel alle baby’s enkele jaren borstvoeding kregen, en haar moeder gaf haar borstvoeding. Zo kreeg ze de eerste soort bescherming. Tegen de tijd dat ze tussen eind jaren ’40 en midden jaren ’50 zelf kinderen kreeg, gaven veel moeders hun kinderen geen borstvoeding meer (alhoewel de mijne dat wel deed). Dat betekent dat er een heel cohort aan vrouwen was die als baby borstvoeding had gekregen, maar hun eigen kinderen geen borstvoeding gaf. Zo kregen ze wel de eerste soort bescherming, maar niet de tweede. Terwijl ze ouder werden, hadden ze een grotere kans om borstkanker te krijgen dan hun moeders en grootmoeders hadden gehad, omdat hun moeders en grootmoeders beide soorten bescherming hadden gehad.

Dan kom je bij mijn generatie, waarvan het merendeel in de jaren ’50 en ’60 werd geboren en als kind geen borstvoeding kreeg, en die dus de eerste soort bescherming niet gekregen had. Toen ze in de jaren ’70 en ’80 zelf kinderen gingen krijgen, gaven velen hun kinderen nog steeds geen borstvoeding en zo liepen ze de tweede manier van bescherming ook mis. Terwijl deze groep ouder wordt, loopt de groep die zelf geen borstvoeding gekregen had, en haar eigen kinderen ook niet zelf gevoed had zelfs een groter risico dan hun moeders liepen. Zou het kunnen dat de gestage erosie van deze twee beschermingsbronnen verantwoordelijk is voor de gestage groei in het voorkomen van borstkanker in de afgelopen vier decennia in de Verenigde Staten? Op het moment is dit slechts speculatie, gebaseerd op de timing van de twee processen.

Ik hoop dat ik je meer stof tot nadenken heb gegeven.

Addendum

Over het mailtje dat ik eerder stuurde, over het onderzoek van Newcomb, merkten verschillende mensen de stijging op van het risico op borstvoeding in de groep die langer dan 24 maanden borstvoeding had gegeven. Laat eens zien of ik dit kan uitleggen – ik probeerde in het vorige mailtje helder en duidelijk te zijn, en jullie weten hoe moeilijk dat voor mij is.

De verschillen tussen de groepen waren:

Nooit borstvoeding gegeven1.00 relative risk
voedden 4-12 maanden0.85
voedden 3 maanden of korter0.78
voedden 13-24 maanden0.66
voedden meer dan 24 maanden 0.72
gehele voedende populatie 0.78

De groepen 'nooit borstvoeding gegeven' en 'korter dan drie maanden' waren het grootst. De groep 'meer dan 24 maanden borstvoeding' was het kleinst. Het statistische verschil tussen de groepen was significant voor de vergelijking 'nooit borstvoeding gegeven/korter dan drie maanden', en de 'trend' loopt duidelijk omlaag, maar voor zover ik het me herinner waren de verschillen tussen de andere groepen slechts marginaal statistisch significant, of niet statistisch significant. Met andere woorden, de tendens is duidelijk dat het risico omlaag gaat bij een langere duur van het voeden, zelfs ondanks dat het risico in deze specifieke kleine groep van vrouwen die langer dan 24 maanden gevoed hadden een beetje groter was (maar niet statistisch significant groter) dan de groep die 13-24 maanden voedde. Is het zo duidelijk?

Om een daadwerkelijk onderzoek te doen, zou je borstvoeding als een continue variabele moeten beschouwen met mogelijk maandelijkse of zelfs wekelijkse stijgingen en zien hoe de cijfers veranderden, maar het is erg moeilijk om een groep vrouwen te vinden die lang voedde, die groot genoeg is. Zelf begin ik nu aan mijn 99ste maand van borstvoeding geven. Een ander probleem met deze onderzoeken is, dat het helemaal niet zo duidelijk is of het een verschil maakt of je 24 maanden één kind voedt, of dat het over 2, 3, 4, 5 of 6 kinderen verspreid is.

Bronvermelding

  • [1] Newcomb, P.A. et al. 1994. 'Lactation and a reduced risk of premenopausal breast cancer.' The New England Journal of Medicine 330(2):81-87.
  • Freudenheim, J. et al. 1994. 'Exposure to breast milk in infancy and the risk of breast cancer.' Epidemiology 5:324-331. (N.B.: epidemiologen gebruiken de term 'exposure (blootstelling)" zowel voor goede als slechte factoren).

Artikelgegevens

  • Geschreven 14 augustus 1995. Bijgewerkt 16 augustus 1995
  • Vertaald door Heleen Hayes, 18 februari 2001
  • Copyright op de inhoud: 1999 Sue Ann Kendall en Katherine Dettwyler
  • © Nederlandse vertaling: 2001 Borstvoeding.com

Gerelateerde artikelen